
60 – 70% Van de SP-patiënten is te klasseren als SAPS/ RCRSP. Inmiddels is al een decennium duidelijk dat opereren bij RCRSP-patiënten meestal onnodig is en generiek geen betere resultaten heeft dan conservatief behandelen. Dat geldt ook voor RCRSP-patiënten met een PTR (Partial Tendon Rupture); in principe niet opereren. Uitzonderingen zijn mogelijk bij jonge patiënten die klachten blijven houden en die hun schouder flink gebruiken in werk of sport.
Interessanter is de discussie bij RCRSP-patiënten met een FTR (Full Thickness Rupture); gaan die wel op consult bij de orthopeed? Is daar een operatieve ingreep eerder geïndiceerd?
Daarover gaan een aantal opeenvolgende RCT-studies met toenemende follow-up van de onderzoekgroep rond Stefan Moosmayer in het Martina Hansen ziekenhuis, in Gjettum Noorwegen. We bespreken de meest recente uit 2024. In dat artikel wordt beschreven hoe de klinische resultaten zijn na een follow-up van liefst 15 jaren; zie verwijzing 1 met onderaan een link om het artikel te downloaden:
Moosmayer S, Land G, Seljom US, Haldorson B, Svege IC, Henning T, Pripp AH, Smith HJ. Fifteen-year results of a comparative analysis of Tendon repair versus Physiotherapy for Small-to-medium-sized Rotator Cuff Tears. JBJS, 2024, 106:1785-96.
Is opereren geïndiceerd voor RCRSP-patiënten met een degeneratieve niet-traumatische FTR?
Vooraf even over de indeling in FTR. Een FTR betekent dat sprake is van lekkage van synovia door het GH-gewrichtskapsel (met de RC-pezen in de buitenste laag) naar de subacromiale ruimte. Het is gebruikelijk FTR’s in te delen in kleine FTR’s (tot 1 cm, middelgrote FTR’s 1 – 3 cm), grote FTR’s (> 3 cm) en massieve FTR’s in minstens 2 RC-pezen en schade van het RC-interval.
We weten dat er geen 1 op 1 relatie is tussen een FTR en klinische klachten; wel is sprake van een risico factor. Bij conservatief behandelen wordt in principe de ruptuur niet behandeld, is dat erg? Bij operatief behandelen wordt daadwerkelijk gepoogd de ruptuur te herstellen, lukt dat altijd en is dat eigenlijk nodig? Intrigerende vragen.
Type studie en onderzoekvraag
Het betreft een RCT waarin 103 RCRSP-patiënten met een kleine c.q. middelgrote FTR (FTR’s dus kleiner dan 3 cm) worden gerandomiseerd in 2 groepen; 52 ondergaan bij aanvang een RC-repair en 51 patiënten worden verwezen naar de fysiotherapeut. Er zijn publicaties na 1 jaar (n= 102), na 2 jaren (n= 101), 5 jaren (n= 101), 10 jaren (n= 91) en na 15 jaren (n= 83). De onderzoekvraag is gericht op het vaststellen van verschillen die (gaan) ontstaan tussen beide groepen; geopereerd versus conservatief behandeld.
Methode en setting
In de huidige RCT met een follow-up van 15 jaar worden de twee groepen vergeleken. Als PROM wordt de Constant Murley gescoord (0 – 100, hoe hoger hoe beter, hoger dan 75 duidt op een tevredenstellend functioneren van de schouder). Er wordt vastgesteld welke patiënten later toch kiezen voor een operatieve ingreep (de crossovers). Fysieke uitkomstmaten zijn pijnvrije actieve ROM in anteflexie en abductie en de kracht in scaptie richting. Daarnaast zijn subjectieve pijnscores (VAS scores) en PASS (Patiënt Acceptable Symptom State) scores afgenomen.
Daarnaast werden de patiënten in de fysiotherapie-groep opnieuw een MSU om vast te stellen wat er met de niet-gerepareerde RC-pees gebeurt.
Resultaten
Vanaf de follow-up van 10 jaar openbaren zich verschillen tussen beide groepen die zich continueren en de resultaten van deze studie na 15 jaar. Onderstaand links de verschillen op de fysieke tests (verdeeld in de 2 groepen bij aanvang: operatie versus fysiotherapie) en rechts de verschillen in de CM-scores (verdeeld in 3 groepen; primaire RC-repair: 79,9 punten; crossovers met secundaire RC-repair: ook 79,9 punten en alleen fysiotherapie 63,7 punten)

Het MSU-onderzoek in de fysiotherapie groep liet zien dat sprake was een toename van de grootte van de ruptuur, die verschillen zijn statistisch significant en ook klinische relevant omdat een grotere toename van de ruptuur leidt tot minder kracht in de scaptie richting en dus ook lagere CM-scores. Uiteraard vinden ook in de RC-repair groep retears op; deze worden kort genoemd (16 van de 43 primair geopereerde patiënten: 37%), maar niet systematisch onderzocht met MSU.
SWOT-analyse
Het betreft een prachtige studie met goede meetinstrumenten. De totale groep bedraagt 1-3 en de twee groepen bestaan uiteindelijk uit 43 (RC-repair) en 40 patiënten (fysiotherapie). Auteurs geven de gemiddeldes aan en formuleren dan ook ‘gemiddelde’ uitkomsten terwijl de daadwerkelijke impact behoorlijk kan variëren. De studie focust sterk op somatische disfuncties terwijl er, bij 15 jaar schouderpijn, ook niet-somatische disfuncties zijn. Verder ontstaan bij een patiëntengroep die in leeftijd toeneemt van 60 naar 75 jaren oud ook veel niet-symptomatische RC-rupturen.
In de laatste regel van het abstract concluderen de auteurs dan hun onderzoek is ‘supporting tendon repair as the primary treatment for small-to-medium sized rotator cuff tears’. Koel en Veen (2) reageren in een E-letter van JOSPT dat ‘surgery for all’ toch niet de bedoeling kan zijn.
Kansen/ uitdagingen voor SNN’ers
De keuze wel/ niet de schouderorthopeed consulteren komt in de praktijk veel voor. Schouderorthopeden klagen dat op hun schouderpoli’s veel SP-patiënten komen die eigenlijk geen orthopedische competenties nodig hebben in onderzoek of behandeling. Schoudergespecialiseerde fysiotherapeuten kunnen zorgen voor een passende verwijzing zodat patiënt, orthopeed, fysiotherapeut en de BV Nederland tevreden zijn. Uiteraard kent de schoudergespecialiseerde fysiotherapeut de nieuwe NOV-richtlijn SAPS, zie onderstaande twee cellen (zie ook 3):

Ook in die SAPS-richtlijn wordt geschreven over het grotendeels conservatieve beleid bij RCRSP-patiënten en dat verwijzen naar een ‘fysiotherapeut gespecialiseerd in de behandeling van patiënten met schouderaandoeningen’ zinvol is.
Discussie op SNN Kennisplatform
Kunnen we passend klinisch redeneren met data over de ‘gemiddelde’ SP-patiënt?
Moosmayer et al (1) stellen met MSU vast dat bij patiënten in de fysiotherapie groep (26 keer MSU bij 28 patiënten) van baseline tot 15 jaren later in de voor-achterwaartse richting de gemiddelde ruptuur omvang toeneemt van 16,2 mm tot 31,6 mm (verschil 15,4 mm met 95% CI: 10,2 – 20,6 mm) en in medio-laterale richting neemt de gemiddelde ruptuur toe van 16,0 tot 26,9 mm (verschil bedraagt 11,0 mm met 95% CI: 6,7 – 15,2 mm). Anderzijds is er geen 1 op 1 relatie tussen de omvang van een RC-ruptuur en klinische symptomatologie (4) en zouden, bij een fors deel van de populatie er so-wie-so in 15 jaar tijd de nodige FTR’s of toename in FTR’s ontstaan (5, 6).
In een andere studie beschrijven Moosmayer et al (7) de kwaliteit van de RC-pezen bij 49 ex-patiënten (gemiddelde leeftijd bij baseline 61 jaar) die conservatief behandeld waren vanwege RCRSP en gemiddeld 8,8 jaar later opnieuw met MSU onderzocht zijn. Er werd vastgesteld dat de gemiddelde omvang van de ruptuur in voor-achterwaartse richting toenam van 14,3 mm naar 22,5 mm; een verschil van 8,3 mm (95% CI: 5,6 – 10,9, p= 0,001). Gelukkig geven de auteurs van alle 49 patiënten de exacte score aan die in onderstaande figuur te zien is. Zouden we alle 49 patiënten bij aanvang moeten opereren? Bij 33 patiënten (68%) is sprake van weinig verschil (tussen -5 mm tot + 10 mm), bij 8 patiënten (16%) nam de ruptuur met 1 tot 2 cm toe en bij 8 patiënten nam de ruptuur met minstens 2 cm toe (16%). Die laatste 8 patiënten hadden verlies van scaptie-kracht en dus lagere CM-scores. Die patiënten waren vermoedelijk beter af geweest met een operatie 8,8 jaar eerder.

Verandering in omvang RC-ruptuur bij 49 patiënten na 8,8 jaar follow-up
Hoe vinden we nu RCRSP-patiënten met een FTR die het slecht doen op conservatief beloop en die we tijdig een operatie zouden moeten adviseren?
Zijn er meer langdurige studies met gegevens over beloop bij niet-opereren?
Safran et al (8) volgen 61 RCRSP-patiënten, leeftijd onder de 60 jaar, met een FTR gedurende 29 maanden en stelden vast dat 30 keer (49%) sprake was van een toename van minstens 5 mm maar dat 31 keer (51%) geen sprake was van een toename. Van de 30 personen met minstens 5 mm toename klaagde de helft over SP en de andere helft niet. Yamamoto et al (9) vonden bij 174 RCRSP-patiënten dat 19 maanden (‘slechts’ 1,5 jaar) later er bij 82 personen (47%) sprake was van een toename van op zijn minst 2 mm. Een follow-up van 22 jaar werd gerealiseerd door Ranebo et al (10) die retrospectief de resultaten van een Neer decompressieoperatie vaststelden bij 69 patiënten die ten tijde van de ingreep gemiddeld 49 jaar oud waren.24 Van die 69 geopereerde patiënten had ook een FTR. Twintig van die 24 patiënten (87%) toonden 22 jaar later een toename van de ruptuur, 17 (74%) toonden een cuff artropathie met een bijpassende Hamada score van minstens 2 (de Acromio-Humerale afstand is dan < 5 mm). De combinatie van cuff artropathie & Hamada score > 1, kwam voor bij 40 van de 69 patiënten (58%); het hebben van een FTR is dus een ongunstige prognostische factor. Van de 40 patiënten met een cuffartropathie en Hamada > 1, hebben er 14 (35%) daadwerkelijk schouderpijn en 26 (65%) scoren milde of geen schouderpijn.
De MOON-studie (Multicenter Orthopaedic Outcomes Network) betreft een grote studie uit Amerika (11, 12) waarin 432 conservatief behandelde RCRSP-patiënten gevolgd worden met een symptomatische, a-traumatische FTR. Een pikante studie omdat in Amerika de keuze voor een operatieve ingreep normaliter snel gemaakt is. Na een 6 weken durend initieel revalidatieprogramma konden patiënt en behandelaar kiezen uit 3 opties: 1- het gaat goed, stoppen; 2- het gaat beter, nog 6 weken revalideren; 3- het gaat niet beter, kies voor operatieve RC-repair. Aanvankelijk kiezen 87 patiënten kiest optie 3 opereren (20%) en 346 patiënten voor niet opereren (80%). Meest bepalende factor voor die keuze betrof het vertrouwen in de fysiotherapeut & het fysiotherapie revalidatieprogramma, een lagere verwachting leidde tot een grotere keuze voor operatief ingrijpen. In totaal 10 jaar follow-up kiezen in totaal 115 patiënten (27%) voor een operatie, die shift van fysiotherapie naar operatie treedt vooral op in het eerste jaar. Ongeacht de terechte verwachting dat de omvang van de ruptuur gaat toenemen, treedt een toename van het aantal operaties niet op. Auteurs concluderen dan ook (zie onderstaande tabel) dat meer dan 70% van RCRSP-patiënten met een FTR goed reageren op fysiotherapie en dat de effecten stabiel zijn.


Tabel met conclusies drie relevante follow-up studies naar patiënt-populaties met symptomatische RCRSP op basis van een FTR.
Ook de studies van Boorman et al uit Canada laten een gelijk beloop zien (13, 14). 104 RCRSP-patiënten met een FTR worden geïncludeerd en volgen een 3 maand durend fysiotherapie revalidatieprogramma waarna wordt gekozen voor ‘succes’ (geen operatie) of ‘falen’ (en dus wel operatie). De populatie wordt ruim 11 jaar gevolgd. Ook in deze studie worden 75% van de patiënten succesvol fysiotherapeutisch behandeld en kiest 25% van de FTR-patiënten voor een operatieve ingreep. Auteurs concluderen (zie tabel) dat de lange termijneffecten van fysiotherapie goed zijn en dat de meeste FTR-patiënten ook na 11 jaar goed functioneren.
Hill en Keener (15) vergelijken 2 verschillende cohorten FTR-patiënten; een ‘oude’ populatie uit een eerdere studie naar het beloop van RC-schade bij niet-operatief behandelen. In dat cohort van 381 personen met RC-schade ontwikkelen er, na gemiddeld 3 jaren, 83 personen (22%) schouderklachten en worden dus RCRSP-patiënt. Die 83 patiënten worden onderzocht zowel klinisch als met beeldvorming. Deze groep wordt vergeleken met een nieuw cohort van 65 RCRSP=patiënten met een FTR die inmiddels een RC-repair hebben ondergaan. Klinische signs and symptoms worden vergeleken na een follow-up van 5.1 jaren in de niet-operatieve groep (n=83) met een follow-up van 3.0 jaren in de operatieve groep (n= 63). De operatieve groep scoort beter op pijn (VAS 3 versus 0), kracht in abductie richting (36 versus 70 Newton) en AROM-anteflexie (142 versus 155 graden). Ook op vettige degeneratie scoort de operatieve groep beter. Ruim 70% van het niet-geopereerde cohort (n= 381) ontwikkeld geen schouderpijn. Het deel dat wel schouderpijn ontwikkeld doet het op middellange termijn (3 – 5 jaren) minder goed dan een cohort FTR-patiënten die wel zijn geopereerd. Opereren is positief, zeker op langere termijn, voor een deel van de RCRSP-patiënten met een FTR. Bovendien zorgt een operatieve ingreep voor het behoud van de conditie van RC-pezen en voorkomt de normale ‘natural history’ van in omvang toenemende RC-beschadigingen.
Amerikaanse (16) en Nederlandse (17) studies laten zien dat effecten van operatieve en conservatieve therapie goed zijn en de conclusie uit Noorwegen (18) luidt dan ook dat beide opties met positieve afloop ingezet kunnen worden. Fysiotherapeut, orthopeed en patiënt dienen vast te stellen welk beleid het best past bij welke patiënt. Een mooie uitdaging voor een SDM (Shared Decision Making) proces (19).
Welke prognostische factoren kunnen een verwijzing naar de orthopeed valideren?
Omdat beide opties toepasbaar zijn en kunnen leiden tot goede resultaten op de korte en lange termijn, wordt de keuze dus bepaald door de klinische symptomen van de patiënt met RCRSP op basis van een FTR. Bij welke klinische symptomen ligt een operatieve RC-repair meer of juist minder voor de hand?
We gaan uit van patiënten waarbij de FTR symptomatisch is; dus er is (of was) een biomechanisch beloop met provocatieve en reducerende activiteiten, er is sprake van positieve provocatie tests zoals weerstand testen (Abductie tegen R, Empty Can test of exorotatie tegen R) en er is primaire hyperalgesie met manuele druk of met gelokaliseerde druk met de transducer van het echoapparaat. In het geval er in plaats van pijn meer sprake is van onvermogen, of zelfs een positieve lagtest of drop arm test, is mogelijk sprake van een grote FTR en is de expertise van de orthopeed, met mogelijkheid tot aanvragen van een MRI, gewenst. Let wel, grote c.q. massieve RC-rupturen zijn niet het onderwerp van dit discussie artikel. Verder lijkt de leeftijd relevant, jonge patiënten moeten nog langer verder met hun schouder en opereren verbetert het natuurlijk beloop.
Indien het letsel naast de SS en/ of IS, ook de subscapularis betreft, is vaak sprake van een slechter conservatief beloop. Een goede subscapularis-pees zorgt ervoor dat de humeruskop niet te makkelijk naar voren transleert op het glenoid. Dat geldt ook indien naast de schade van SS en/ of IS ook de ventrale insertie van het Rotator Cuff interval is beschadigd; ook dat beperkt de effectiviteit van een conservatief beleid. Verder duidt zichtbare atrofie vaak op relevante schade die conservatief matig te behandelen is.
De inhoud van bovenstaande paragraaf betreft beleid bepaald door somatische disfuncties (hoe groot is de structuur schade, is sprake van krachtsverlies, beperkt actief functioneren of zichtbare atrofie); relevant maar niet altijd de meest bepalende disfuncties. Naast somatische kan ook sprake zijn van niet-somatische disfuncties; zoals mentale (onvoldoende vertrouwen en/ of zelfredzaamheid), cognitieve (disfunctionele percepties) of procesmatige disfuncties (sensitisatie of onvoldoende fitheid). Sterker nog, bij 169 RCRSP-patiënten met een symptomatische FTR bleek de samenhang tussen klachten en mentale disfuncties sterker dan de samenhang tussen klachten en anatomische schade (Pearson correlatiecoëfficiënt was 0,48 versus 0,19, 20), een multimodale analyse die verschillende disfuncties evalueert is noodzakelijk om een passend plan van aanpak samen te stellen (21).

Tabel. Elf prognostische factoren met invloed op de beslissing van professionals om meer te opteren voor een operatief of juist een niet-operatief/ fysiotherapie beleid bij RCRSP-patiënten met een kleine en middelgrote FTR (tot 3 cm groot). Uit (2).
In klinische situaties met aanhoudende schouderpijn waarin deze niet-somatisch disfuncties dominant aanwezig kunnen zijn, geldt meestal dat juist fysiotherapie aan te bevelen is. Een cognitief-gedragsmatige aanpak met behulp van educatie, blootstelling aan (geleid) actief functioneren die met MWM’s en SSMP’s door de fysiotherapeut wel mogelijk zijn (graduele exposure) en geleidelijk uitgebreid worden (graded activity) is zinvol. Zie bovenstaande tabel met een samenvatting van prognostische factoren komt uit de E-letter in JBJS door Gerard Koel en Bart-Jan Veen (2).
Concluderend, wat kan een schoudergespecialiseerde fysio met dit discussie-artikel?
Verwijzen van een RCRSP-patiënt vanuit de eerste lijn naar de tweede lijn betreft een cruciale actie; een actie die bovendien complex is want zijn de actuele symptomen van die patiënt eigenlijk geschikt voor de schouder-orthopeed?
SR’s over wel of niet opereren geven op dit moment te weinig fundament om die keuze goed te onderbouwen, in het algemeen wordt geconcludeerd dat FTR-patiënten het na een operatie wat beter doen, soms wel statistisch significant maar zelden klinisch relevant (22, 23). En ook de resultaten postoperatief worden beïnvloed door psychosociale factoren (24). Vaststellen of sprake is van relevante niet-somatisch disfuncties is ook bij de populatie geopereerde patiënten zinvol om resultaten verder te verbeteren.
Een schoudergespecialiseerde fysiotherapeut is in staat een RCRSP-patiënt met een FTR te onderzoeken om die multimodale analyse te realiseren (25).
Van oudsher heeft een schoudergespecialiseerde fysiotherapeut goed contact met de schouder-orthopeed in de tweede lijn. Deels omdat de orthopeed dan een adres heeft om onterecht verwezen patiënten alsnog naar een gespecialiseerde fysiotherapeut te kunnen verwijzen, deels om geopereerde patiënten goed te revalideren en frequent ‘bemannen’ orthopeed en fysiotherapeut samen een tweedelijns-schouderpoli. Van meer recente datum is de samenwerking tussen een schoudergespecialiseerde fysiotherapeut met collega-zorgverleners in de eerste lijn. Dat betreft huisartsen, POH’ers en kaderartsen bewegingsapparaat. Fysiotherapeutische expertise kan helpen om in de eerste lijn vast te stellen of de klinische ‘signs & symptoms’ een verwijzing naar de tweede lijn valideren.
Opereren bij RCRSP-patiënten zonder FTR komt alleen in geselecteerde patiënten voor; opereren bij RCRSP-patiënten met een kleine/ middelgrote FTR (tot 3 cm) is een optie. Alle patiënten met een FTR opereren is niet nodig, in deze discussie zijn voldoende bronnen aangehaald die aangeven dat 75% van die FTR-patiënten prima functioneren met fysiotherapeutisch begeleiding. Dan blijft er nog een forse groep over met opereren als reële optie. Voordeel van die geopereerde groep is dat op termijn (na 5 – 15 jaren) geopereerde pezen beter hun kwaliteit (minder rupturen, betere trekvastheid, betere belastbaarheid) behouden dan niet-geopereerde FTR-patiënten. Ook bij de indicatie voor een operatie blijft een multimodale analyse naar mogelijk relevante niet-somatische disfuncties belangrijk.
We kunnen goed uit de voeten met de conclusies uit de FMS-richtlijn SAPS (3). We zijn van mening dat het zowel bij een conservatief beleid van fysiotherapeut en huisarts als ook bij een operatief beleid bij de orthopeed belangrijk is een multimodale SoMCoP (Somatische, Mentale, Cognitieve en Procesmatige disfuncties, 21, 26) analyse te realiseren. Bij een keuze voor operatief ingrijpen is naast het kundig toepassen van operatieve technieken het ook belangrijk rekening gehouden te houden met FTR-patiënten als mensen met disfunctionele emoties (zelfredzaamheid, angst, zelfvertrouwen), disfunctionele cognities (verwachting van een operatie, matig ziekte-inzicht) en mogelijk procesmatige disfuncties (stress, sensitisatie, fitheid) (26).
Bij het correct verwijzen van de juiste RCRSP-patiënten vanuit de eerste naar de tweedelijn speelt de schoudergespecialiseerde fysiotherapeut een belangrijke rol, zowel in samenwerking met eerstelijns professionals als met tweedelijns professionals. Pak in je eigen regio deze kansen aan en zet je competenties in.
Ingebracht door Gerard Koel, lid SNN-commissie Vakinhoud.
Referenties:
1) Moosmayer S, Land G, Seljom US, Haldorson B, Svege IC, Henning T, Pripp AH, Smith HJ. Fifteen-year results of a comparative analysis of Tendon repair versus Physiotherapy for Small-to-medium-sized Rotator Cuff Tears. JBJS, 2024, 106:1785-96.
2) Koel G, Veen EJD. Therapy for RCRSP-patients with symptomatic small-to-medium-sized Rotator Cuff tears; surgery for all? E-Letter response to Moosmayer et al 15 years follow-up (2024). JBJS, February 26,2025:1-6. http://links.lww.com/JBJSEL/A250.
3) FMS-richtlijn: Subacromiaal Pijnsyndroom van de Schouder (SAPS). Op initiatief van de NOV (Nederlandse Orthopedie Vereniging)/ WSE (Werkgroep Schouder Elleboog), februari 2025.
https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/saps/startpagina_-_subacromiaal_pijnsyndroom_van_de_schouder_saps.html
4) Dunn WR, Kuhn JE, Sanders R, An Q, Baumgarten KM, Bishop JY et al. Symptoms of pain do not correlate with rotator cuff tear severity: a cross-sectional study of 393 patients with a symptomatic atraumatic full-thickness rotator cuff tear. J Bone Joint Surg Am. 21 May 2014;96(10):793–800.
5) Matsen FA. Shoulder pain does not parallel rotator cuff tear size-what does that tell us? Commentary on an article by Warren R. Dunn, MD, MPH, et al.: ‘symptoms of pain do not correlate with rotator cuff tear severity. A cross-sectional study of 393 patients with a symptomatic atraumatic full-thickness rotator cuff tear’. J Bone Joint Surg Am. 21 mei 2014;96(10): e86.
6) Tashjian RZ. Epidemiology, natural history, and indications for treatment of rotator cuff tears. Clin Sports Med. Oktober 2012;31(4):589-604.
7) Moosmayer S, Gärtner AV, Tariq R. The natural course of nonoperatively treated rotator cuff tears: an 8.8-year follow-up of tear anatomy and clinical outcome in 49 patients. J Shoulder Elbow Surg. April 2017;26(4):627-34.
8) Safran O, Schroeder J, Bloom R, Weil Y, Milgrom C. Natural history of nonoperatively treated symptomatic rotator cuff tears in patients 60 years old or younger. Am J Sport Med 2011; 39(4):710-4.
9) Yamamoto N, Mineta M, Kawakami J, Sano H, Itoi E. Risk Factors for Tear Progression in Symptomatic Rotator Cuff Tears: A Prospective Study of 174 Shoulders. Am J Sports Med. September 2017;45(11):2524-31.
10) Ranebo MC, Björnsson Hallgren HC, Norlin R, Adolfsson LE. Clinical and structural outcome 22 years after acromioplasty without tendon repair in patients with subacromial pain and cuff tears. J Shoulder Elbow Surg. Juli 2017;26(7):1262-70.
11) Dunn WR, Kuhn JE, Sanders R, Baumgarten KM, Bishop JY, Brophy RH et al. Nonoperative treatment of atraumatic, symptomatic, full-thickness rotator cuff tears – Five-year follow-up of the MOON shoulder group cohort. J Shoulder Elbow Surg, 2019,28:211-212.
12) Kuhn JE, Dunn WR, Sanders R, Baumgarten KM, Bishop JY, Brophy RH et al. The predictors of surgery for symptomatic, atraumatic full-thickness Rotator cuff tears change over time, 10-year follow-up MOON study prospective cohort. JBJS,2024, 106:1563-1572.
13) Boorman RS, More KD, Hollinshead RM, Wiley JP, Mohtadi NG, Lo IKY, Brett KR. What happens to patients when we do not repair their cuff tears? Five-year rotator cuff quality-of-life index outcomes following nonoperative treatment of patients with full-thickness rotator cuff tears. J Shoulder Elbow Surg. 2018 Mar;27(3):444-448.
14) Boorman RS, More KD, Koles SL. What happens to patients in the long term when we do not repair their cuff tears? Ten-year rotator cuff quality of life index (RC-QOL) outcomes following nonoperative treatment of patients with full-thickness rotator cuff tears. JSES Int. 2024 Dec 4;9(1):268-273.
15) 15- Hill JR, Olson JJ, Sefko JA, Steger-May K, Teefey SA, Middleton WD, Keener JD. Does surgical intervention alter the natural history of degenerative rotator cuff tears? Comparative analysis from a prospective longitudinal study. JSES, 2025, 34:430-440.
16) Gagnier J, Bedi A, Carpenter J, Robbins C, Miller B. A 5-Year Follow-up of Patients Treated for Full-Thickness Rotator Cuff Tears: A Prospective Cohort Study. Orthop J Sports Med. 2021 Sep 7;9(9):1-12.
17) Lambers Heerspink FO, van Raay JJ, Koorevaar RC, van Eerden PJ, Westerbeek RE, van’t Riet E, van den Akker-Scheek I, Diercks RL. Comparing surgical repair with conservative treatment for degenerative rotator cuff tears: a randomized controlled trial. J Shoulder Elbow Surg. 2015 Aug;24(8):1274-81.
18) Ranebo MC, Björnsson Hallgren HC, Holmgren T, Adolfsson LE. Surgery and physiotherapy were both successful in the treatment of small, acute, traumatic rotator cuff tears: a prospective randomized trial. J Shoulder Elbow Surg. Maart 2020;29(3):459-70.
19) Bot AGJ, Bossen JKJ, Herndon JHH, Ruchelsman DE, Ring D, Vranceanu AM. Informed Shared Decision-Making and Patient Satisfaction. Psychosomatics, 2014:55:586–594.
20) Wylie JD, Suter T, Potter MQ, Granger EK, Tashjian RZ. Mental health has a stronger association with patient-reported shoulder pain and function than tear size in patients with full-thickness rotator cuff tears (2016) Journal of Bone and Joint Surgery – American Volume, 98 (4), pp. 251 – 256,
21) Koel. G. Multimodale analyse van SP-patiënten met het SoMCoP-model als CDST (Clinical Decision Support Tool). SchouderNetwerk Twente (SNT), 2020
https://schoudernetwerktwente.nl/wpcontent/uploads/2023/02/SoMCoP.PraktijkPatienten.SP.pdf
22) Piper CC, Hughes AJ, Ma Y, Wang H, Neviaser AS. Operative versus nonoperative treatment for the management of full-thickness rotator cuff terars: a systematic review and meta-analysis. J Shoulder Elbow Surg. 2018; 27:572-576.
23) Brindisino F, Salomon M, Giagio S, Pastore C, Innocenti T. Rotator cuff repair vs. nonoperative treatment: a systematic review with meta-analysis. J Shoulder Elbow Surg. 2021; 30(11):2648-59.
24) Kennedy P, Joshi R, & Dhawan, A. The effect of psychosocial factors on outcomes in patients with rotator cuff tears: a systematic review. Arthroscopy: The Journal of Arthroscopic & Related Surgery, 2019, 35(9), 2698-2706.
25) Koel G, Van Poppel D. Anamnese en lichamelijk onderzoek voor de Fysiotherapeut. Hoofdstuk 3.2 in: De Schouder, van anatomie tot therapie, Arko Sports Media, 2023.
26) Tashjian RZ. Editorial Commentary: Doc, Is It All in My Head? With Rotator Cuff Tears, It Partially Is! Arthroscopy. 2019 Sep;35(9):2707–8.
Wil je reageren op deze discussie over wel/ niet opereren bij FTR-patiënten, graag, mail dan
naar cievakinhoud@schoudernetwerk.nl